Warmtepompen op propaan veilig installeren doe je zo
EU ontwikkelde gids met richtlijnen voor plaatsing en transport
De herziening van de F-gassenverordening heeft geleid tot een sterke toename van warmtepompen met ontvlambare koelmiddelen zoals R-290. Daarom ontwikkelde SKILLSAFE EU, een door de Europese Unie gefinancierd project, een gids met de belangrijkste wettelijke en technische vereisten voor buiten geïnstalleerde monoblock lucht-waterwarmtepompen op R-290 in eengezinswoningen.
Over propaan (R-290)
R-290 is een koolwaterstof, volgens de CLP-classificatie ingedeeld als een 1A-koelmiddel en volgens ISO 817 als A3. Beide classificaties wijzen op een hoge ontvlambaarheid en een lage toxiciteit. Propaan is geurloos en zwaarder dan lucht, waardoor het koelmiddel zich bij een lek kan ophopen in de omgeving van de warmtepomp. Een kleine ontstekingsbron (vonk of open vlam) is dan voldoende om brand of zelfs een explosie te veroorzaken. Om die reden moeten een aantal specifieke voorzorgsmaatregelen worden nageleefd bij de installatie van een warmtepomp op propaan.
Werken met propaan
Er is geen wettelijke verplichting in België om een specifiek certificaat te hebben om warmtepompen te mogen installeren. Desalniettemin is er voor het plaatsen van warmtepompen deskundigheid inzake installatie, inbedrijfsstelling, algemeen onderhoud en de demontage van het toestel vereist. Via erkende opleidingscentra kunnen installateurs een certificaat van bekwaamheid ontvangen (RESCert) na het volgen van een erkende opleiding en het slagen voor een examen. Deze is niet verplicht voor de installateur, maar klanten die een premie wensen te ontvangen voor een warmtepomp, dienen de installatie wel te laten uitvoeren of valideren door een RESCert-gecertificeerde installateur.
Voor de plaatsing van gesloten warmtepompsystemen, zoals monoblocks, geldt er geen extra certificeringsplicht, zolang er geen werkzaamheden aan het koelmiddelcircuit plaatsvinden.
Zodra er echter handelingen aan het koelmiddelcircuit worden uitgevoerd, moet de technicus beschikken over een certificering conform de geldende F-gassenverordening (EU) 2024/573.
Op 6 september 2024 publiceerde de Europese Commissie de nieuwe uitvoeringsregels voor certificering bij werkzaamheden met koelmiddelen. Deze regelgeving legt de minimumeisen voor certificering vast en breidt de verplichting uit naar alle koelmiddelen, niet alleen F-gassen maar ook koolwaterstoffen (zoals propaan en isobutaan), CO₂ en ammoniak.
In het nieuwe systeem zijn F-gassen en koolwaterstoffen samengebracht in de certificaten A1 en A2. Deze indeling sluit aan bij de vroegere categorieën I en II, maar is uitgebreid met koolwaterstoffen.
- Certificaat A1: Verplicht voor alle handelingen met gefluoreerde broeikasgassen en koolwaterstoffen, ongeacht de hoeveelheid (voorheen categorie I)
- Certificaat A2: Verplicht voor handelingen met gefluoreerde broeikasgassen en koolwaterstoffen bij installaties met maximaal 3 kg koelmiddel, of maximaal 6 kg bij hermetisch gesloten systemen (voorheen categorie II)
Houders van bestaande certificaten moeten hun kennis en vaardigheden updaten om aan de nieuwe eisen te voldoen.

Aandachtspunten bij locatiebepaling
Meestal buiten
Het merendeel van de propaanwarmtepompen wordt buiten geplaatst in monoblockuitvoering. De reden hiervoor is omdat bij binneninstallatie de maximale vulling met R290 zonder extra veiligheidsmaatregelen is beperkt tot ongeveer 150 gr. Toestellen met een grotere vulling vereisen extra voorzieningen, zoals gaslekdetectie, gecontroleerde afvoer naar buiten en voldoende ventilatie om bij een lek de concentratie veilig te houden. De monoblockuitvoering heeft bovendien als voordeel dat er geen koeltechnische handelingen nodig zijn.
De volgende richtlijnen gelden dan ook voor propaanwarmtepompen in monoblockuitvoering.


Algemene aandachtspunten bij vloer-, wand- en dakmontage
Als een monoblock warmtepomp op propaan buiten wordt geïnstalleerd, moet er worden gewaarborgd dat er bij een eventueel lek geen koelmiddelconcentraties in het gebouw kunnen binnendringen. Daarnaast moet er worden verzekerd dat personen in de buitenomgeving of in aangrenzende gebouwen geen risico’s lopen.
Fabrikanten voorzien daarom specifieke installatie-instructies. Rondom de monoblock warmtepomp dient een all-clear zone te worden gerespecteerd. Deze zone legt minimale afstanden vast tot omliggende elementen. De zone verschilt per fabrikant en type toestel. De installateur dient de eindgebruiker bovendien te informeren over zijn of haar verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat deze vrijstanden te allen tijde worden gerespecteerd.
Binnen de all-clear zone mogen:
- zich geen gebouwopeningen bevinden, zoals te openen ramen, deuren, lichtschachten, dakramen of openingen van ventilatiesystemen
- er geen perceelsgrenzen of aangrenzende eigendommen zijn, zoals voetpaden en opritten, kuilen of niveauverlagingen in het terrein
- zich geen openingen van riolen of rioolputten bevinden


Zorg er daarnaast voor dat:
- de warmtepomp in dezelfde staat verkeerd als waarin ze op de markt werd gebracht
- er geen extra omkasting wordt geplaatst (tenzij dit expliciet is goedgekeurd door de fabrikant, bv. voor geluidsreductie).
- er zich geen brandbare materialen of ontstekingsbronnen in de nabijheid van het toestel bevinden
- er zich geen obstakels of ruimtes rondom het toestel bevinden waarin een ontvlambare atmosfeer (= ophoping van het koelmiddel) kan ontstaan (zoals bv. mangaten, schachten of putten)
- er extra aandacht wordt besteed aan de condensafvoer:
- deze dient vorstvrij te blijven en mag niet worden geblokkeerd (bijvoorbeeld door sneeuwophopingen). Zo wordt ijsvorming op de verdamper, en mogelijke schade die tot lekkage kan leiden, vermeden.
- deze mag niet worden aangesloten op een rioleringssysteem, want in geval van een koelmiddellek zou het koelmiddel in de riolering kunnen komen, waar zich mogelijk een ontvlambaar mengsel kan vormen
Indien het niet mogelijk is om de warmtepomp te positioneren op een locatie die aan deze eisen voldoet, dient de installatielocatie te worden aangepast door middel van permanente en gasdichte barrières (bijvoorbeeld door wanden of scheidingswanden te voorzien). Maar fabrikantspecifieke voorschriften zoals minimale afstanden of instructies voor de plaatsing in een hoek of nis dienen daarbij altijd strikt te worden nageleefd.
Bij dakmontage
Ook bij dakmontage gelden dezelfde vereisten als voor op de grond en aan de wand geplaatste installaties. Bijkomend mogen de dakventilatoren en dakafvoersystemen zich niet binnen de beschermingszone bevinden. In zones met borstweringen/valbeveiliging moet bovendien worden vermeden dat zich daar zware gassen kunnen ophopen.
Werken aan warmtepompen op propaan
Onzorgvuldig transport of foutieve behandeling tijdens de installatie kan leiden tot koelmiddellekken en het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Daarom zijn bijkomende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk:
- tijdens de montage, inbedrijfstelling en het algemene onderhoud van de warmtepomp moeten alle ontstekingsbronnen worden vermeden. Dit omvat alle werkzaamheden die vonken en/of hoge temperaturen kunnen veroorzaken.
- wanneer een lek wordt vastgesteld door personeel zonder de vereiste certificering, is het niet toegestaan om het probleem zelf te beperken of op te lossen. In dat geval wordt aanbevolen om afstand te nemen, de werkzone te beveiligen, en onmiddellijk een gecertificeerde persoon of de brandweer te contacteren om een veilige afhandeling van het lek te garanderen. De werkzone beveiligen gebeurt door de zone af te zetten met palen. De gecertificeerde technicus zal vervolgens bijkomende veiligheidsmaatregelen nemen, zoals het plaatsen van waarschuwingsborden, het voorzien van een brandblusapparaat en het inzetten van een ATEX-gecertificeerde ventilator om ophoping van propaan te voorkomen..
Transport van warmtepompen op propaan
Bij het transport naar en de opslag op de werf dienen de volgende algemene richtlijnen in acht te worden genomen:
- Het transport moet uitsluitend plaatsvinden volgens de voorschriften van de fabrikant of, indien niet anders vermeld, in verticale positie. Liggend transport kan schade veroorzaken. De verpakkingslabels moeten de nodige informatie bevatten. Daarnaast moeten ook nationale en lokale voorschriften worden nageleefd.
- Transport met gevulde koelmiddelcircuits is enkel toegestaan in de originele verpakking. Bij transport zonder originele verpakking moet het koelmiddelcircuit volledig koelmiddelvrij zijn. Dit geldt ook voor retourtransport naar de groothandel of de fabrikant.
- Zorg tijdens transport en opslag steeds voor voldoende ventilatie van de omgeving. Het wordt aanbevolen ventilatieopeningen te voorzien zowel aan de bovenzijde als aan het laagste punt van het transportvoertuig.
- Ontstekingsbronnen zoals roken, vonken en hete oppervlakken zijn strikt verboden.


Opslag van warmtepompen op propaan
Tussentijdse opslag bij de klant over een langere periode moet zoveel mogelijk worden vermeden. Indien opslag toch noodzakelijk is, moet deze altijd boven het maaiveld plaatsvinden en moet er sprake zijn van voldoende luchtverversing. Opslag in niet-geventileerde containers is verboden.
Het wordt aanbevolen om locaties waar apparatuur met brandbare koolwaterstofkoelmiddelen (HC) wordt opgeslagen te voorzien van vaste detectiesystemen.
Voor de volledige SKILLSAFE EU Guideline: klik hier
Sectorfederatie Frixis werkte actief mee aan het opstellen van deze gids. Leden kunnen voor extra info omtrent het onderwerp steeds bij Frixis terecht.

















